Damastbloem – Hesperis matronalis

Damastbloem – Hesperis matronalis

Damastbloem (Hesperis matronalis)

De Damastbloem behoort tot de Kruisbloemenfamilie.

Bloei

De geurige bloei treedt op van mei tot juli.

Leefplek

Al eeuwen als sierplant in onze streken en door storten in bosrand en ruigtes verwilderd. Graag wat halfschaduw en vochtige grond langs heggen en op bermen.

Areaal

W. Azië en Z. en M. Europa.

Naam

De naam “Damastbloem” is een verbastering van het Franse “Violettes des dames”. Geurende bloemen werden vroeger nogal eens betiteld als “violen of violieren”. Zodoende werd de Damastbloem toen tot “Viola matronalis”. Dat “matronalis” kwam van “matrona” hetgeen soms nog in gebruik is als “matrone”. Werd hier vroeger wel “Nachtviool” genoemd. Violieren zijn inderdaad nauw verwant.
De naam “Hesperis” is afkomstig van het Griekse “Hesperia” oftewel het “Avondland”, in het westen gelegen in de oudheid (Italië en later Spanje).

Kenmerk

De halfhoge (tot 1 m) tweejarige of overblijvende plant heeft een weinig bovenin vertakte iets geknikte stengel. Op de knikken staan verspreid kort gesteelde eironde tot lancetvormige bladeren met een lichte tanding in de bladrand. Het blad is licht behaard en langs de rand staan bootshaakvormig gegaffelde haren.
De ook vrij kort gesteelde 4-tallige bloemen (1,5-2 cm) zijn meest lichtpaars of wit en staan in brede pluimen aan de eventueel vertakte stengeltop. In de avond sterk geurend om nachtvlinders aan te trekken. Bovendien is de kleur lang zichtbaar in het ultraviolette licht van de schemer.
De vrucht is een smalle forse schuin omhoog staande gebogen hauw

tekst van; https://www.ivn.nl/afdeling/valkenswaard-waalre/damastbloem-hesperis-matronalis