Kleine veldkers

Kleine veldkers, Cardamine hirsuta

Kleine veldkers
Kleine veldkers

Kruisbloemenfamilie gaat het om een aantal soorten die relatief klein blijven, maar, omdat de bloemetjes vaak goed opvallen tegen de donkergroene achtergrond van de bladeren, zijn ze niet over het hoofd te zien. Eén van deze kruiden is de Kleine veldkers, Cardamine hirsuta L., een eenjarige plantensoort die vaak op braakliggende akkers en wegranden te vinden is.

Het zaad van de Kleine veldkers kiemt meestal laat in het jaar, in de herfst, en vormt dan een kleine rozet die overwintert. De bladeren die de rozet vormen zijn oneven geveerd met soms een behoorlijk aantal van tegenover elkaar staande deelblaadjes, die de vorm van een ruit hebben. Het deelblaadje aan de top van het blad is meestal het grootste van alle deelblaadjes. De rand van de deelblaadjes is gaaf, soms een beetje gelobd. Wel vind je er een aantal rechte haren op. Die haren zitten ook onder aan de bladsteel. Deze steel is wat verbreed naar de aanhechtingsplaats op de hoofdwortel, maar heeft geen oortjes. Aan het eind van de winter komt er een aantal stengels te voorschijn die eindigen in een tros met bloemen. Aan deze kale stengels zit meestal tenminste een blad, tot bij de grotere planten hoogstens drie of vier. Ook de stengelbladeren zijn oneven geveerd. De planten krijgen dan, mede door het grote aantal rozetbladeren, de vorm van een polletje.

De min of meer rechtopstaande stengels eindigen in een trosvormige bloeiwijze met kleine kruisvormige bloemetjes. De bloemen hebben vier kelk- en kroonbladen. De kelkbladen zijn tamelijk smal en spits; de witte kroonbladen zijn ongeveer twee maal zo lang als de kelkbladen. Zelden zijn de kroonbladen 5 mm lang, meestal halen ze die lengte niet. Opmerkelijk is dat het aantal meeldraden afwijkt van het aantal zes, dat normaal is bij de bloemen van de Kruisbloemenfamilie. Vaak zijn er maar vier te vinden in de bloem en deze zijn dan allemaal even lang. Soms kun je nog wel een vijfde vinden. Het bovenstandig vruchtbeginsel heeft een stijl met stempel. Na bevruchting, vaak is er sprake van zelfbevruchting doordat pollen of stuifmeel uit de meeldraden op het stempel komt, groeit het uit tot een ongeveer 2 cm lange min of meer rechte hauw. De hauwen steken ruim boven de bloeiwijze uit, ze zijn enigszins afgeplat van vorm en hebben bijna geen snavel.

Omdat de plant zo vroeg bloeit en zaad zet, zie je vaak in de loop van het jaar nog nieuwe generaties opkomen, maar deze blijven dan wat miezerig van formaat.

De Kleine veldkers is nauwe familie van de Pinksterbloem, Cardamine pratensis, maar dan wel een klein blijvend familielid in vergelijking met de Pinksterbloem. De eenjarige soort groeit graag op open, wat vochtige tot droge zandgrond, zoals bewerkte akkers, wegbermen en dijkvoeten. Maar je vindt de soort ook in (moes)tuinen, plantsoenen en in de duinen en zelfs op het zand in de zeereep.

tekst van; http://www.floravannederland.nl/planten/kleine_veldkers/