rüppelgier

Gieren zijn aaseters en door veel mensen worden zij daarom verguisd. Hun uiterlijk met de bijna kale kop en nek helpt ook niet echt mee met het gevoel van een hoge aaibaarheidsfactor. Neem daarbij de grote stevige haaksnavel en de strenge doordringende blik in de ogen en het beeld van een onaantastbare vogel is geschapen.
Zonder aaseters zou het in de natuur een mooi zooitje worden. Een afvalberg van stinkende kadavers, die wij mensen dan maar al te graag zouden willen opruimen, omdat de lucht (stank) niet meer te harden zal zijn. Aaseters doen dus wel degelijk heel nuttig werk.
Al vrij snel na het overlijden van een dier komen de aasliefhebbers op onverklaarbare wijze ten tonele. Zelfs als het dier ten prooi is gevallen aan een roofdier en er door deze jager nog van gegeten wordt, laten de gieren zich al zien. De brutaalsten onder hen proberen zelfs onder de neus van het roofdier al een graantje mee te pikken van de gevulde dis.
De grote gieren, waar ik de rüppelgier ook toe reken, doen met hun sterke snavel het betere scheurwerk en openen het karkas om bij de lekkkerste delen van het dode dier te komen. De kop en nek van de gieren verdwijnen soms geheel in het dode dier. Een mooi verenpak zou dan wel heel erg vies worden en bijna niet meer schoon te krijgen zijn; vandaar dus de geringe bevedering van deze lichaamsdelen. Kleinere soorten gieren schuiven aan nadat de grotere “neven en nichten” het voedsel bereikbaar hebben gemaakt.
Uiteindelijk zorgt de natuur ervoor, dat er alleen nog maar botten overblijven. Ook deze veteren, maar dat neemt nogal wat tijd in beslag. Er zijn echter ook dieren, zoals bijvoorbeeld gevlekte hyena’s (Crocuta crocuta), die met hun sterke kaken ook in staat zijn om botten te kraken om zo bij het merg in de holle delen te komen.
Ook in Europa komen gieren voor maar dan in de warmere gebieden in Zuid-Europa. Tijdens een vakantie kun je daar de vale gier (Gyps fulvus) ontmoeten en meer naar het zuid-oosten ook de aasgier (Neophron percnopterus). Een enkele keer wordt de vale gier ook wel eens in ons land waargenomen. Deskundigen wijten dat dan aan een gebrek aan kadavers, dus voedsel, in hun oorspronkelijke leefgebied. De dode dieren mogen in veel gebieden niet meer blijven liggen en worden dus opgeruimd. Voedselgebrek voor de aaseters dus!
Deze rüppelgier heeft een donsveertje bij het neusgat zitten. Waarschijnlijk zal de vogel met de nagels van de tenen proberen deze “verstopping” op te lossen. Vogels kunnen volgens mij ook niezen; dus wie weet ……. Wij mensen kennen ook de reactie van het niezen bij stof in de neus

tekst van; http://www.janvinkfotografie.nl/Fotoalbum/Dierentuinen/Ruppelgier,+detail+kop,+Avifauna/